Marcel Mariën

Enfant terrible van het surrealisme

Marcel Mariën is één van de meest intrigerende, productieve en representatieve figuren van de Belgische surrealistische beweging. In 1937 sluit hij zich aan bij de Brusselse groep na een ontmoeting met René Magritte . Hetzelfde jaar maakt hij zijn eerste, en bekenste surrealistisch kunstwerk : L’introuvable, een enkele lens bril.

De technieken waarmee  Mariën’s talent tot uiting komt zijn zeer divers: object-assemblage, collage, fotografie, cinema, tekening, schilderkunst en druktechnieken. Zijn artistieke productie is levend, origineel en vooral uitdagend. Met zijn werken probeert hij het bewustzijn prikkelen door met de conventies  te spelen.  Ook als dichter en schrijver creëert hij als geen ander bruggen tussen taal, beeld en voorwerpen om onze zekerheden in vraag te stellen.

Vanaf het begin  wist Mariën zich te onderscheiden als schrijver en theoreticus. Ook al was hij de jongste, toch werd hij de eerste historicus van de Belgische surrealistische groep. Al snel gaat hij hun literaire en artistieke producties van verzamelen, veilig stellen en promoten met zijn publicaties. Bijzonder opmerkelijk is Mariën’s engagement om de kostbare geschriften van Paul Nougé, leider en theoreticus van de Brusselse surrealistische groep, te bewaren en te verspreiden. Mariën publiceerde deze geschriften vanaf 1954 in zijn tijdschrift Les Lèvres Nues.

Mariën is ook de auteur van de eerste monografie gewijd aan René Magritte (1943) en van het eerste naslagwerk over het surrealisme in België. Het brengt  documenten en historische feiten samen onder de titel L’activité surréaliste en Belgique (1924-1950)  dat werd gepubliceerd in 1979.

Van in het begin trekt zijn werk de aandacht. Het werd vaak geexposeerd, zowel in collectieve tentoonstellingen als persoonlijke. Vandaag maakt hij deel uit van de collecties in de grootste musea ter wereld, zoals de Tate Modern in Londen, het Getty Museum in Los Angeles, het MoMa in New York, het Israël Museum in Jerusalem, het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Brussel, het Fotografiemuseum in Charleroi, de collecties van de Provincie Henegouwen en vele anderen.

Van links naar recht  : Marcel Mariën, Camille Goemans, Gérard Van Bruaene (gezeten), Irène Hamoir, Georgette Magritte, E.L.T. Mesens, Louis Scutenaire, René Magritte, Paul Colinet. 

Biografie

Marcel Mariën werd geboren op 29 april 1920 in Antwerpen , van een Vlaamse vader en een Waalse moeder, “en vice versa”, zoals hij graag zei. Als Franstalige had hij het moeilijk op school. Het gebruik van het Frans was toen verboden in  Vlaamse scholen . Hierdoor had een zekere leerachterstand op het Atheneum van Antwerpen. In het geheim verslond hij boeken en ontdekte hij onder andere de werken van Werther, Maupassant, Corneille, Stendhal, Victor Hugo, Zola of Rousseau. Als autodidact vergaart hij zo, zonder het te beseffen, een grote literaire kennis . Op zijn vijftiende volgt hij een opleiding  bij een fotograaf waar hij  in het laboratorium foto’s ontwikkelt en afdrukt. Geïsoleerd van de buitenwereld, schrijft hij zijn eerste gedichten en maakt zijn eerste foto’s. Gelijktijdig volgt hij ook avondlessen muziek, literatuur en criminologie aan de hogeschool voor werknemers.

In 1935, op een tentoonstelling over hedendaagse kunst in het Antwerpse stadsfeestzaal, ontdekt Mariën het surrealisme  dankzij twee schilderijen van Magritte. Deze ontdekking wordt door hem als een openbaring ervaren. Gepassioneerd door het surrealisme koopt hij surrealistische boeken in de boekhandel Clarté in Antwerpen en leest onder meer Le manifeste du surréalisme en Nadja van André Breton. In juli 1937 neemt hij contact op met René Magritte. Hij ontmoet hem in Brussel en kort nadien ook Paul Colinet, Louis Scutenaire, Irène Hamoir en Paul Nougé. In deze de groep maakt hij zijn debuut. Hij neemt voor de eerste keer deel, zeventien jaar oud, aan een collectieve surrealistische tentoonstelling waar hij zijn eerste voorwerp voorstelt: L’introuvable. In 1938 leidt hij de lezing La Ligne de vie van René Magritte in die plaats vond in het Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen. Hij schrijft ook La chaise de sable, een essay over het surrealisme waarin hij het werk van René Magritte met vuur verdedigt.

Tijdens zijn dienstplicht  in 1939 wordt Mariën  verpleger in het militair ziekenhuis van Antwerpen. Op 17 mei 1940 wordt hij geëvacueerd richting Duinkerke en vervolgens naar Berck-sur-Mer waar hij gevangen genomen wordt door het Duitsers. Daarna hij wordt afgevoerd naar het kamp van Görlitz voor een periode van 3 maanden voor hij naar Spindermühle  in Tsechoslowakije  wordt overgebracht waar hij grondwerken moet uitvoeren tot in 1941.

Na zijn vrijlating in 1941 neemt Mariën opnieuw contact op met zijn vrienden René Magritte, Paul Nougé en Louis Scutenaire. Ze komen  regelmatig samen om titels te vinden voor de schilderijen van Magritte. Mariën is hierin bijzonder begaafd. In hetzelfde jaar ontmoet hij Christian Dotremont, Gilbert Sénécaut en zijn toekomstige metgezelle Elisabeth Altenloh. Dat jaar richt hij de uitgeverij L’Aiguille aimantée op en publiceert hij verschillende werken waaronder Malgré la nuit en Moralité du sommeil van Paul Eluard. Hij schrijft ook L’oiseau qui n’a qu’une aile, uitgegeven door Ça ira in Antwerpen. In 1942 verhuist hij met Elisabeth naar het platteland nabij Antwerpen. Hij gaat voor het eerste keer naar Parijs en ontmoet er Paul Eluard, Pablo Picasso, Jean Paulhan, Oscar Dominguez en Georges Hugnet. Hij maakt nadien talrijke reizen naar Parijs in opdracht van René Gaffé, een verzamelaar en uitgever, en maakt van de gelegenheid gebruik om de vervalste werken, die  Magritte schilderde naar bekende kunstenaars,  te verkopen.

In 1943 schrijft en publiceert Mariën de eerste monografie gewijd aan Magritte en neemt hij deel aan conferenties over het surrealisme. In 1945 geeft hij La Terre n’est pas une vallée de larmes uit, bij de Editions La Boétie. Dit collectief bracht onder meer teksten van Noël Arnaud, Paul Nougé, René Char, Paul Colinet, Paul Eluard en Pablo Picasso samen. Mariën is ook co-redacteur van het tijdschrift Le Ciel bleu met Paul Colinet en Christian Dotremont. Op 22 december 1945 geeft hij een lezing over “Surrealisme in 1945” in het kader van de belangrijke tentoonstelling Surrealisme georganiseerd door Magritte in de Galerie des Editions La Boétie in Brussel en waaraan hij deelnam.

 

In 1946 schrijft hij Les corrections naturelles en richt samen met Magritte de uitgeverij Le Miroir infidèle op. Samen publiceren ze verschillende subversieve traktaten  en begeleidt hij Magritte naar Parijs waar ze André Breton ontmoeten. In december verzamelt hij de bijdragen voor het speciale nummer van het New Yorkse tijdschrift View gewijd aan het surrealisme in België.

In 1948 geeft hij een baan als correcteur op en vestigt zich als boekhandelaar in Brussel. Op advies van Nougé noemt hij zijn winkel “Au Miroir d’Elisabeth”, een toespeling op de locatie van zijn boekhandel op het Koninginneplein, en een verwijzing naar de naam van zijn gezellin. Magritte maakte toen visitekaartjes.

Twee jaar later stopt hij met de boekhandel op en scheidt van Elisabeth. Na enkele maanden te hebben gewerkt als dactylograaf bij de Etablissements Wasterlain, scheept hij in december 1951 in als “garçon de mess” op de Silver Ocean, een vrachtschip dat vaart tussen Normandië en Frans West-Indië.

Bij zijn terugkeer in België in 1953 werkt hij kortstondig als documentalist op de Sovjet-ambassade. Hetzelfde jaar verspreidt hij aan de Belgische kust namaakbiljetten die hij samen met de gebroeders Magritte had gedrukt.  Deze strafbare onderneming duurde een tiental dagen, tot er een artikel in de pers verscheen waarin de winkeliers werden aangespoord waakzaam te zijn omdat er valse biljetten in omloop waren gesignaleerd. In 1953 vindt Mariën werk op een Noors vrachtschip, de Makefjell, dat vaart van Brussel naar Londen. Daar brengt hij bezoek aan zijn vriend E.L.T. Mesens. Terug in Brussel besluit hij het maritiembedrijf te verlaten en neemt zijn intrek bij Nougé. Hij vindt er een tijdelijke job als dactylograaf in een olieraffinaderij. Dat jaar ontmoet Mariën zijn nieuwe partner, Jane Graverol, op de opening van een Magritte tentoonstelling. In 1954 richt hij samen met Graverol en Nougé het tijdschrift Les Lèvres nues op, dat tot 1975 zal verschijnen.

In 1955 vindt Mariën werk als dactylograaf bij Les Papeteries de Genval. Gelijktijdig creëert hij de prijsuitreiking “Prix de la Bêtise Humaine”. De laureaten zijn André Malraux voor zijn volledige werk en Koning Boudewijn voor zijn reis naar Congo.

In 1956 vormt de ontmoeting tussen Mariën en Guy Debord in Brussel het begin van een samenwerking met de Franse Lettristen. Mariën publiceert Histoire de ne pas rire waarin de belangrijkste teksten van Paul Nougé zijn opgenomen. Hij geeft ook de tract “Toutes ces dames au Salon” uit, waarin geprotesteerd wordt tegen een groep schilders die publicitaire werken hadden gemaakt voor de Shellcompagnie.

In 1957 publiceert hij zijn essay Quand l’acier fut rompu,  waarin hij Stalin verdedigt tegen de toenmalige trend van de De-Stalinisatie in. “Ik besloot Quand l’acier fut rompu te schrijven omdat ik verontwaardigd was over het feit dat zijn meest ijverige partizanen van de ene dag op andere van mening veranderden.” Dat jaar ontmoet hij Leo Dohmen.

In 1958 gaan Mariën en Graverol ui elkaar. Hij publiceert zijn essay Théorie de la revolution immédiate waarin hij uiteenzet hoe het kapitalisme in een jaar tijd omvergeworpen kan worden. Na een aantal kleine jobs vindt hij een tijdelijke baan bij een reclamebureau.Hij  verduistert samen met enkele medeplichtigen de winsten van een wedstrijd gelanceerd in de pers. Hiermee financiert hij zijn film L’imitation du cinéma. Het scenario, geschreven in 1959, is het verhaal van een jongeman die zo onder de indruk is  van L’imitation de Jésus-Christ dat hij besluit zich te laten kruisigen zoals Christus . De film wordt opgenomen in vijf weekends met een twaalftal acteurs en een en een zestal figuranten. Tom Gutt krijgt de hoofdrol van de jongeman. Als de film in 1960 wordt uitgebracht, veroorzaakt hij een schandaal. Iedere voorstelling in Brussel, Luik en Antwerpen lokt hevige reacties uit en in Frankrijk wordt hij zelfs gecensureerd. Nu is deze film opgenomen in de anthologie van de surrealistische cinema, naast Un Chien Andalou en L’Age d’or van Luis Buñuel en Salvador Dali.

In 1961 vraagt men Mariën het scenario te schrijven voor een nieuwe film. Voor de realisatie van dit project verhuist hij naar Vitry nabij Parijs. De opnames van deze film, Tout est possible, gaan niet door en  ook zijn volgende scenario, On aura tout vu, wordt niet gerealiseerd.

In 1962 lanceren Mariën en Dohmen de tract “La Grande Baisse” ter gelegenheid van een grote Magritte-retrospectieve in het Casino van Knokke. Gepresenteerd als zijnde van Magritte zelf, willen ze  het commerciële succes van de kunstenaar aan de kaak stellen door een reeks van zijn beroemdste schilderijen aan te bieden die voor  ridicule prijzen. Deze actie heeft een groot succes . Magritte wordt gefeliciteerd door André Breton en de pers becommentarieert gretig de hele affaire . Mariën doet alsof hij hiermee niets te maken heeft. Na een politieonderzoek is hij echter verplicht zijn bedrog toe te geven. Het is daarbij bij wet verboden een bankbillet te reproduceren, zelfs voor commerciële doeleinden. Op het vlugschrift was de afbeelding van Leopold I vervangen door die van Magritte.

In oktober 1962 vertrekt Mariën naar New York. Hij werkt er als bediende in een boekhandel, daarna als dactylograaf en ziekenverzorger. In 1963 bezoekt hij Philadelphia, Chicago, Salt Lake City en San Francisco. Hij verlaat de Verenigde Staten en vaart naar Yokohama, Singapore en Hong Kong. Vanaf oktober verhuist hij naar Peking waar hij anderhalf jaar werkt als proeflezer voor de Franse propagandakrant La Chine en Construction. Teleurgesteld door zijn “pseudo-communistische” ervaring onder Mao’s regime, keert hij in maart 1965 terug naar Brussel. In de zomer van 1966 publiceert hij zijn in verschillende internationale kranten een artikel met de titel “La Chine aux abois”, waarin hij onder meer de massale deportatie van intellectuelen naar het platteland in vraag stelt.

In april 1967 vindt zijn eerste solotentoonstelling plaats in de Galerie Defacqz in Brussel. In november van dat jaar ontmoet hij, Gudrun Steinmann, met wie hij op 13 augustus 1969 trouwt. Het huwelijk houdt stand tot in 1971.

In 1968 lanceert hij de collectie Le Fait accompli, waarin talrijke surrealistische teksten en documenten worden publiceerd. Deze uitgave kent 135 nummers tot 1975.

In 1970 klaagt Mariën een tentoonstelling in de New Smith Gallery aan  waar valse gouaches van René Magritte werden getoond.

In 1973 is Mariën het onderwerp van een rechtszaak vanwege zijn voorwoord bij Manifestes et autres écrits van René Magritte waar hij de collaboratie  van Marc Eemans in oorlogstijd in bekend maakt,maar hij wordt vrijgesproken.

In 1979 publiceert Mariën het eerste referentieboek over de geschiedenis van het surrealisme in België, L’activité surréaliste en Belgique (1924-1950).

In maart 1983 publiceert hij zijn memoires onder de titel Le radeau de la mémoire. De onthulling van Magritte als vervalser veroorzaakt een schandaal. Het boek, dat op verzoek van Georgette Magritte werd verboden, geeft aanleiding in Brussel en Parijs tot een rechtszaak die wordt gewonnen door Marcel Mariën.

In 1984 ontmoet hij Sarah Whitfield. In deze periode verschijnen verschillende belangrijke publicaties, waaronder Le sentiment photographique (1984), La femme entrouverte (1985), La licorne à cinq pattes (1986), La coupeuse de souffle (1987).

In 1989 wordt er, in de Galerie Isy Brachot, een tentoonstelling van zijn werk georganiseerd met de titel, Rétrospective des rétrospectives.

Hij overlijdt op 19 september 1993 in de César Depaepe-kliniek in Brussel en wordt op 22 september begraven op het kerkhof van Schaarbeek. Op zijn graf staat : “Il n’y a aucun mérite à être quoi que ce soit” (er is geen enkele verdienste om wat dan ook te zijn).